Gemis is er altijd. Soms is het zachtjes aanwezig, als een rustige zee die bijna stil ligt. Dan kabbel ik mee met de stroom van de dag. Ik hoor Gijs lachen, ik zie hoe Noor vol verwondering naar iets kleins kan kijken en ik adem mee. Op die momenten is het gemis niet minder, maar wel draaglijk. Alsof het zich even neerlegt, tevreden dat het er gewoon mag zijn.

Maar er zijn ook dagen dat de zee verandert. Dan rollen de golven groter binnen, zonder waarschuwing. Soms door iets kleins: een kind in de speeltuin dat net zo oud lijkt als Saar nu zou zijn of een onverwachte vraag van iemand die mijn verhaal niet kent. Soms ook helemaal zonder aanleiding. Het komt, het grijpt me vast, en plotseling is er die golf die alles overspoelt.

Ik kan dan proberen te zwemmen maar vaak laat ik me gewoon even meesleuren. Het voelt als verdrinken in verlangen, in verdriet, in alles wat nooit zal zijn. Die momenten zijn zwaar, maar ik merk dat ze me ook iets leren. Want elke keer kom ik weer boven. Hoe heftig de golf ook was, de zee wordt daarna weer rustiger.

En in die rustige momenten is er ruimte. Dan kan ik glimlachen om hoe Gijs enthousiast vertelt over de brandweer of hoe Noor giechelend haar pop in slaap wiegt. Ik voel Saar daar, ook al is ze niet tastbaar. Ze leeft in mijn woorden, in mijn gedachten, in de verhalen die ik voor haar meedraag.

Het gemis kabbelt, het slaat om zich heen, het zwijgt, het buldert. Soms laat het me meedeinen, soms gooit het me omver. En toch weet ik: dit is de zee waarin ik altijd zal leven. Een zee waarin liefde en gemis samenkomen.

Op de rustige dagen geniet ik van de stilte van de golven. Op de zware dagen vertrouw ik erop dat de storm weer gaat liggen. En steeds weer ontdek ik dat ik kracht vind, niet ondanks het gemis maar mét het gemis.

Want hoe heftig de golven ook zijn, onder al dat water ligt liefde. Altijd.