Vorige maand was ik weer bij Wereldlichtjesdag. De negende keer sinds het overlijden van Juliëtte. Negen jaar waarin ik ieder jaar opnieuw even stilsta. Even bewust ademhaal bij wat nooit is weggegaan.
Ze speelden ‘Zo mooi’ van Bløf. Hetzelfde lied dat we draaiden tijdens haar uitvaart. Zodra de eerste tonen klonken, was ik terug. Niet alleen bij het afscheid, maar bij alles daaromheen. Bij haar. Bij ons. Hoe stoer ik mij ook altijd probeerde te houden, mijn tranen stroomden over mijn wangen. Zonder rem. Zonder schaamte. Ze mochten er gewoon even zijn.
Juliëtte heeft zeventien dagen geleefd. Zeventien dagen waarin ze er wél was. Waarin ik haar heb vastgehouden, haar heb gezien, haar heb leren kennen. Dat waren haar dagen. Haar leven. En dat verdient ruimte.
In mei is het tien jaar geleden dat ze geboren werd. Dat blijft een beladen moment. Haar geboortedag draagt altijd ook het weten van hoe het afliep. Liefde en verlies liggen daar zó dicht naast elkaar, dat ze nauwelijks van elkaar te scheiden zijn. Soms voelt die afstand groot, soms helemaal niet. Het blijft zich bewegen, zoals rouw dat doet.
Wat mensen vaak zeggen, is dat het met de jaren wel zachter wordt. Dat rouw slijt. En ja, het leven gaat door. Ik leef, ik lach, ik werk, ik draag. Maar de pijn kan me nog steeds onverwacht raken. Een lied. Een datum. Een moment waarop alles even openligt. Alsof het verlies opnieuw ademhaalt.
Wat ik die avond bij Wereldlichtjesdag opnieuw voelde, was dat rouw geen fase is die je afrondt. Het is liefde die geen plek meer heeft om naartoe te gaan. Het zit in mijn lichaam. In mijn hart. In wie ik ben geworden. Juliëtte heeft mij gevormd. Als moeder. Als mens. En ook in mijn werk. Ze heeft mij geleerd hoe kwetsbaar het leven is en hoe belangrijk het is om te blijven voelen, ook als dat pijn doet.
Misschien is dat wat Wereldlichtjesdag ieder jaar weer laat zien. Dat verdriet niet opgelost hoeft te worden. Dat tranen geen zwakte zijn, maar verbinding. Dat je je niet groot hoeft te houden. Dat je er gewoon even mag zijn, precies zoals het voelt.
En terwijl de lichtjes brandden, wist ik het weer. Ze hoort bij mij. Voor altijd. In het gemis, maar net zo sterk in de liefde die nooit verdwijnt.