Deze winter is aan mij voorbij gevlogen, maar duurt tegelijkertijd ontzettend lang. Het grijze weer, het niet echt lekker buiten kunnen zijn, de kou. Maar ook de onophoudelijke snotneuzen die je hebt met twee kleine kinderen. De onrustige nachten. En mijn eigen weerstand die, na een aantal jaar zich goed staande te hebben gehouden, nu dan toch het bijltje erbij neerlegt en toegeeft aan werkelijk elk virus dat rondgaat. De korte dagen. De donkerte die alles zwaarder maakt. Opstaan in het donker en thuiskomen in het donker.
Maar ondertussen is februari bijna voorbij en hinten de krokusjes voorzichtig op kiertjes naar de lente. We zijn er alweer bijna doorheen: nog even en dan kan de deur weer open staan en komen de eerste planten weer op. En terwijl ik op een schaars moment van stilte zit te mijmeren over dit alles, denk ik aan Moon. Mijn middelste dochter die nooit één winter heeft mogen meemaken, geen enkele snotneus mee heeft gedaan, geen sneeuwbal vast heeft gehouden. Die niet de eerste zonnestralen na weken van donkerte op haar gezicht heeft gevoeld. Die niet de warmte van een kop chocolademelk na het sleeën heeft ervaren.
Ik denk terug aan de eerste maanden nadat we afscheid hadden moeten nemen van Moon. Het was december en ik weet nog hoe ik kinderen buiten in de kou zag spelen. Ik was zo ontzettend boos dat Moon dat nooit zou kunnen doen. Ik weet nog hoe die gedachten mijn ziel bijna doormidden zaagden. Hoe ik dat nauwelijks kon dragen, het verdriet en de onmacht die ik daarbij voelde. Deze gedachten voelen nog steeds wrang en zullen dat ook altijd blijven. Toch merk ik dat ze minder scherp in mijn hart snijden dan eerst.
Ik zit voor het raam met een kop koffie en vanuit mijn ooghoek staart haar urntje naar mij. Het urntje dat mijn schoonmoeder voor ons heeft gemaakt. Een keramieken huisje, met de vlinder erop die ik zag op de dag van de positieve zwangerschapstest. De koninginnepage was neergestreken op een vlinderstruik in de tuin. Het was de eerste keer dat ik deze soort zag, daarna heb ik hem nooit meer gezien. Voor mij een heel bijzonder moment; dat kan geen toeval zijn geweest. Gelukkig had ik er op dat moment ook een foto van gemaakt en kon ik deze foto aan mijn schoonmoeder geven, die de vlinder in klei heeft kunnen vangen.
En ondanks het verdriet dat die gedachten geven, is er ook warmte. Ze is er geweest, ze heeft bestaan. Ze zal voor altijd dat plekje in haar keramieken huisje met de vlinder hebben, bij ons. En wij zorgen dat het warm is.