Vijf jaar geleden werd onze Saar geboren en vijf jaar geleden moesten we haar laten gaan. De tijd is doorgegaan, maar die dag zit nog steeds vlak onder mijn huid. 

Ik zie het zo voor me: ik lig in het ziekenhuis, huilend, mijn lijf in paniek en op mijn borst dat piepkleine meisje. Ons meisje. Zo mooi, zo stil. Een baby die ieder moment haar laatste adem zou kunnen nemen. Robin naast me, radeloos, zijn handen trillend, ogen vol wanhoop. We waren daar, samen, en toch ook niet. Het was alsof de wereld in stukken uiteenviel, terwijl alles tegelijk veel te snel voorbijging.

Dat zijn de beelden die vaak terugkomen als ik aan Saar denk. Hard en rauw. Beelden die mijn adem nog steeds kunnen afsnijden. En toch is dat niet het hele verhaal.

Want er was ook geluk. Intens geluk toen die test positief was. Geluk bij de eerste echo, bij dat kleine kloppende hartje. Geluk toen ik haar schopjes voelde en mijn handen vol liefde om mijn buik legde. We hebben zoveel van haar gehouden, nog voordat we haar zagen.

En toen ze er was, zelfs in die korte en wrede tijd, was er ook liefde. Een onmetelijke liefde die mijn hart voorgoed heeft veranderd. Saar heeft mij moeder gemaakt. Zij is ons meisje, ons kind, ook al hebben we haar nooit écht mogen leren kennen.

Vijf jaar zonder haar klinkt als een eeuwigheid. Maar vijf jaar met haar in mijn hart voelt als gisteren. Saar is er niet zoals Gijs en Noor er zijn. Ze speelt niet in de woonkamer, ze roept me niet, ze groeit niet mee. En toch is ze er altijd. In stilte. In gemis. In liefde.

23 december is de dag dat alles samenkomt: het geluk, het verdriet, de leegte, de liefde. De pijn zit in wat geweest is en in dat wat nooit zal komen. Maar wat blijft, wat altijd blijft, is de liefde voor ons meisje.

We missen je. We houden van je.

Altijd.