Sinds het verlies van Sarah heb ik, voor mijn gevoel, twee levens. Er is een versie van vóór die dag en een versie van daarna. Alles is anders, we zijn in een nieuwe wereld.

Meestal kan ik accepteren dat de dagen niet meer zorgeloos en onbevangen zijn. Dat er een gat in mijn hart zit dat niet heel zal worden, dat er altijd iemand mist en dat dat zeer doet. Maar er zijn ook dagen dat ik boos ben. Boos op waarom zij niet groter mocht worden, boos op de kans die ons ontnomen is om langer haar ouders te zijn. Maar vaak voel ik vooral verdriet, omdat het zo oneerlijk is. En snel daarna denk ik: eigenlijk gaat het niet om eerlijk of oneerlijk. Ons verlies is er en daar moeten we het mee doen. Het verdriet is de ene dag lichter, de andere dag zwaarder. Soms redden we ons prima, soms iets minder prima en soms is het een beetje van beide. Nog iedere dag denk ik meerdere keren aan Sarah, de ene keer kort, de andere keer lang.

Wanneer iemand haar naam noemt, raakt dat altijd iets moois binnenin. We zijn nooit compleet, het is nooit helemaal goed; dat is (meestal) oké. Het verdriet en de liefde, de rouw en het leven erna; het mag en kan tegelijk bestaan.

Het verliezen van je kind krijgt nou eenmaal geen plekje. Tot nog toe voelt het niet lichter naarmate de tijd is verstreken en er is regelmatig een flinke huilbui. De tijd heelt, tot nog toe in ieder geval, niet alle wonden. En ja, ‘je moet verder’, maar niemand die je dan ook voor het gemak even vertelt hoe je dat dan zou moeten doen. En toch, het leven wat zich om het verdriet heen heeft gevormd?

Zo ben ik vooral blij met en dankbaar voor mijn man en voelt het alsof we er echt voor elkaar kunnen zijn, in blijdschap en verdriet. Trots op hoe we het dan toch maar samen doen, met Sarah in ons hart. We spreken af met familie en vrienden, we plannen leuke uitstapjes, we gaan soms op vakantie en na gezellige avonden kan ik buikpijn hebben van het lachen. Dan voelt het lichter en misschien iets makkelijker.

Waar ik dacht nooit meer te kunnen genieten van bijvoorbeeld de lente, ben ik nu vooral blij dat de winter bijna voorbij is. De eerste zonnestralen zijn geweest en ik merk dat dat ons goed doet. De zon geeft alles een ander kleurtje, minder grijs, en de eerste bloemetjes komen weer tot leven.

We zijn met z’n twee en in ons hart met drie. Door de tijd die verstreken is, is de grootste storm langzaam gaan liggen. Een storm die soms weer oplaait, maar waar we inmiddels beter een weg in kunnen vinden.

In ons hart met drie en met dromen die ons, nog altijd voorzichtig, weer naar de toekomst laten kijken. Iedere dag is er één en met de mensen om ons heen kunnen we ‘de nieuwe wereld aan’.