Soms zie ik haar ineens.
Een lichtgele vlinder.
Klein, breekbaar bijna.
Alsof ze er niet helemaal hoort te zijn.
Het gekke is: ik zie haar vaker dan logisch voelt.
Niet alleen in de zomer. Zelfs in de winter
op momenten dat je helemaal geen vlinders verwacht,
is ze daar ineens.
Even.
En dan weer weg.
Ik weet dat het toeval kan zijn,
dat het gewoon een vlinder is, zoals alle andere.
Maar zo voelt het niet.
Voor mij is deze van haar,
van Saar.
Ik kan niet precies uitleggen waarom.
Het is geen bewuste gedachte,
het is er gewoon, elke keer als ik haar zie.
Alsof ze even laat weten: ik ben er nog.
Dit voorjaar had ik haar al een tijdje niet gezien.
En zonder het hardop te zeggen, merkte ik
dat ik toch naar haar zocht.
Maar ze bleef weg.
Tot ik aan het hardlopen was.
Gewoon een rondje zoals zovele.
Muziek in mijn oren, gedachten alle kanten op.
Niet eens bewust met haar bezig.
En ineens was ze daar, vlak voor me.
Dansend in de lucht, alsof ze precies wist waar ik was.
Ik moest bijna lachen.
Zo onverwacht. Zo precies op dat moment.
En tegelijk voelde ik het.
Dat kleine steekje.
Dat zachte gemis dat nooit echt weg is.
Alsof ze even langskwam.
Heel even maar.
Ik weet dat het misschien gek klinkt.
Een vlinder is gewoon een vlinder.
Maar voor mij is het meer dan dat.
Het is een moment van dichtbij.
Van even.
Even voelen dat ze er nog is.
Niet zoals hier, niet zoals bij Gijs en Noor.
Maar op haar manier.
In stilte.
In iets kleins.
In een lichtgele vlinder die zomaar opduikt
wanneer ik haar nodig heb.
Ze vliegt weer verder
en ik ook,
maar nooit zonder haar.
