5 november 2018. Terug naar deze dag, acht jaar geleden. De dag dat we Mees voor de laatste keer echt konden zien en aanraken. Onze zoon die vijf dagen bij ons was geweest.
In een soort slowmotion en in een voor mij wazige wereld rijden we het terrein van het crematorium op. Het is het einde van de middag, maar de schemer is nog net niet ingezet. Thuis hebben we met familie afscheid genomen van Mees. Dit zijn onze laatste momenten als gezin met hem fysiek in ons midden. Een klein meisje op de achterbank neuriet zachtjes een liedje.
We stoppen. Op mijn schoot ligt een wit papiergeschept doosje. Daarin ligt Mees. In mooie en zorgvuldig uitgezochte kleertjes. Lichtblauw met sterretjes. In een dekentje gewikkeld en met zijn hoofd op een kussentje. Met het gevoel alsof ik hele zware voeten heb lopen we als gezin, met zijn vieren, achter de uitvaartonderneemster aan naar een kamertje. Daar zetten we het papieren doosje op een lage tafel en we gaan er met zijn drieën op de vloer bij zitten. We krijgen een drankje en een schaal koekjes. Dan worden we alleen gelaten. Voor mijn gevoel slaat de deur dicht. Dan is er stilte.
We halen de deksel van het doosje af en kijken met elkaar naar Mees. Om de beurt aaien we hem over zijn hoofdje, geven we een kus op zijn neusje of pakken we nog even zijn handjes vast. Ik leg zijn knuffeltje recht en kijk nog een keer naar de tekeningen vol sterretjes.
Een slok drinken gaat, maar ik krijg geen hap door mijn keel. Mees zijn grote zus maakt de sfeer luchtig door te kletsen over alles wat ze ziet. Ze geniet van de koekjes en heeft ontdekt dat we haar vandaag niet tegenhouden als ze nog een koekje pakt. Dan besluit ze dat Mees wel honger zal hebben. Ze heeft hem de hele week niet zien eten. Al is dat misschien omdat hij ziek en dood is, concludeert ze zelf. Ze besluit een koekje onder zijn dekentje te stoppen. We lachen erom en laten het gebeuren. Als er een onbewaakt moment komt halen we het koekje weer weg. Het is de liefde van een grote zus voor haar kleine broertje.
Uiteindelijk gaat de deur even kort open en is het tijd. Tijd voor laatste keren. Nog één kus, nog één aanraking en nog een heleboel lieve, laatste woorden. Een moment vol liefde, terwijl we met zijn drieën om Mees heen zitten. Dan gaat het papieren doosje dicht.
Ik kan het niet. Het doosje gaat nogmaals open en we zeggen alle drie nog meer lieve woorden tegen onze zoon en ons broertje. Dat we hem gaan missen, dat we hem nooit gaan vergeten en dat we voor altijd anders naar de sterren zullen kijken. Dat we hopen dat hij met ons meekijkt vanuit die sterren. Dan nog een aanraking en een kus. En dan moet het gebeuren. Mees zijn doosje doen we met zijn drieën definitief dicht. We gaan.
De jassen gaan aan, we doen de deur open en kijken nog één keer naar het doosje daar op die lage tafel. Met nog zwaardere voeten lopen we met zijn drieën weg. Nog talloze keren kijk ik achterom. Naar niets. Dan geven we elkaar een knuffel bij de uitgang. In de schemer die inmiddels is ingetreden zien we de eerste sterren lichtjes verschijnen. We laten blauwe ballonnen op. “Voor Mees!”, roept zijn grote zus. Ik kijk de ballonnen na voor zover dat in de schemer kan en hoop dat we elkaar ooit weer terug mogen zien.
Acht jaar later is dat nog steeds het gevoel. We hopen elkaar weer terug te zien. Dit was een afscheid, met allemaal laatste keren. Maar ooit ontmoeten we elkaar opnieuw, geven we elkaar een knuffel en een kus. Dan houden we elkaar weer vast en laten we niet meer los.
