Ik hoor de klanken van het liedje van Woezel en Pip: ‘Ga je mee naar het land van je ogen toe’. Het liedje dat gedraaid werd toen Nora’s mandje haar grafje in zakte. Maar deze keer is het niet het witte rieten mandje dat ik een grafje in zie gaan. Het is een kistje. Van hout.

Ik kijk om me heen en zie mijn familie, wederom met betraande ogen. De paniek slaat toe.

Ik schrik wakker en voel gelijk pijn in mijn maag. Daar waar bij mij de spanning als eerste naartoe schiet als ik veel voel. Een naar gevoel van maagzuur overvalt me bij het wakker worden.

Ik heb even nodig om te beseffen dat dit een droom was en instinctief gaan mijn handen naar mijn buik. Ik voel geen getrappel, maar ik voel stilte. Ze zal wel slapen. Ik blijf nog even in bed liggen, in de hoop dat het meisje in mijn buik snel wakker wordt en mij daarmee gerust kan stellen dat alles goed is.

Het gebeurt niet.

Nog anderhalve week tot ik de zwangerschapsduur heb bereikt waarin Nora overleed.

Een grens waar ik vanaf het begin van deze zwangerschap tegenop heb gezien. ‘Als ik die maar voorbij ben’. Hoe dichterbij die komt, hoe moeilijker het soms wordt om mezelf ervan te overtuigen dat deze zwangerschap niet hetzelfde hoeft te eindigen. Dat dit een nieuwe zwangerschap is.

De zon schijnt al, maar het is nog maar 05:00. Toch lijkt verder slapen niet echt meer te lukken. Ik heb straks een afspraak bij de psycholoog. Dat is fijn op een ochtend zoals deze. 

Op ochtenden als deze, waarin de paniek om opnieuw te verliezen zo hoog is, vraag ik mij af, hoe doen andere moeders dit? Hoe gaan vrouwen om met een nieuwe zwangerschap na verlies? Hoe kan ik dit? Kán ik dit? Hoe ga ik de rest van deze weken volmaken? 

Iedere dag die geweest is, voelt als een opluchting, want hoewel ik ontzettend uitkijk naar haar komst, durf ik tegelijkertijd soms nauwelijks vooruit te kijken. Ik blijf voorzichtig met plannen maken: ik wil geen dingen die ‘BABY’ schreeuwen zoals een babyshower en ik stel de start van de babykamer uit. Alsof er ergens in mijn hoofd een rem zit op mezelf volledig voorbereiden op haar komst. Alsof mijn brein nog niet gelooft dat ik misschien deze keer wél een levend kindje in mijn armen mag sluiten. Alsof minder voorbereiden het verlies minder groot zou maken, mocht het opnieuw misgaan.

Terwijl ik ergens ook wel weet dat dat niet zo werkt.

Ik besluit ontbijt te maken en even wat te drinken. De hondjes komen me al snel knuffelen. Die voelen wel dat ik me niet fijn voel. Eén van de twee komt bij me liggen, met zijn koppie op mijn buik.

En daar is ze. Grote schoppen tegen het snuitje van de hond. Alsof hij het wist. Alsof hij zijn koppie precies daar neerlegde waar ik op dat moment de geruststelling het hardst nodig had. Ik leg mijn hand op mijn buik en voel haar nog een keer. En nog een keer. Ze blijft schoppen en ik voel dat ze de hik heeft.

De angst is niet ineens weg. Misschien gaat ook niet meer weg. Misschien hoort die, na alles wat er gebeurd is, voorlopig bij deze zwangerschap. Maar naast die angst is zij er ook. Trappelend in mijn buik. En voor nu is dat even genoeg.