Mijn dochter van drieënhalf jaar zit aan tafel. Ze tekent een regenboog. Eén voor één verschijnen de kleuren op het papier. Ik kijk naar haar en besef opnieuw hoe bijzonder het is dat zij hier zit. Na het verlies van Boris, Saar en Simon, die veel te vroeg en stil ter wereld kwamen, werd zij geboren. Ik kijk hoe ze geconcentreerd met haar potloden over het papier gaat en denk terug aan de spannende zwangerschap en die ene donderdagavond in 2022.

We zitten te wachten in een kamer in het ziekenhuis. Af en toe hoor ik iemand over de gang lopen, maar verder is het stil. Ik heb wat klachten die ik niet vertrouw, zoals wel vaker deze zwangerschap. De spanning is groot en de mensen in het ziekenhuis zijn lief. Ik mag altijd komen, dus daar lig ik dan op een donderdagavond in een ziekenhuisbed. In een kamer die vergelijkbaar is met waar Saar en Simon zijn geboren. Het felle licht en de ziekenhuisgeur herinneren me aan toen. Ik probeer rustig te blijven, maar mijn gedachten schieten alle kanten op.

Even later blijken de controles gelukkig goed. Voor even stelt dit me gerust. De arts vraagt of we het geslacht van ons kindje al weten. Dit weten we niet en ik vraag er nooit naar, omdat ik voel dat dit ondergeschikt is. Ik ben in het ziekenhuis om te kijken of alles goed gaat met ons kindje en of het leeft en blijft leven, niet om te horen of we een zoon of een dochter krijgen.

Ze vraagt of we het willen weten. “Even iets leuks”, zegt ze. Voor mij is het alleen wel wat meer dan iets leuks. Ik wil het graag weten, niet omdat het mij uitmaakt of we een zoon of een dochter krijgen, maar omdat ik het fijn vind om een mooie naam te bedenken. Dit is iets wat voor mij belangrijk is. Want wat er ook zal gebeuren, hoe alles ook zal lopen, we geven ons kindje sowieso een prachtige naam. Het bedenken van een naam is daarom voor mij niet afhankelijk van dood of leven, maar het is gewoon even iets fijns. Iets wat bij ons kindje hoort. Ik durf nog niets te kopen, ik durf niet te dromen, maar een naam durf ik wel te geven.

Mijn handen rusten op de blauwe deken. De koude gel wordt op mijn buik gespoten. Ze beweegt met de echokop over mijn buik. Ik neem het beeld in me op en zie ons kindje op het scherm bewegen. Ze zet het beeld stil en vraagt: “Kun je het zien?” Ik zie duidelijk drie streepjes. “Een meisje?”, vraag ik vertwijfeld. “Ja”, zegt ze, “je ziet heel duidelijk dat het een meisje is.”

We noemen haar Noor en ineens voelt ze dichterbij. Niet omdat een naam de angst kleiner maakt of de toekomst zekerder, maar omdat ze vanaf dat moment niet meer alleen ‘ons kindje’ is. Ze is onze Noor. Niet dat ik minder bang ben om haar kwijt te raken, maar ik sta mezelf toe om, ondanks die angst, intens veel van haar te houden en haar moeder te zijn. Want dat ben ik nu al.

Inmiddels is het vier jaar later. De zwangerschap is goed verlopen en na een voldragen zwangerschap is ze geboren. Het meisje dat toen nog in mijn buik zat, knipt nu haar zojuist getekende regenboog zorgvuldig uit. Ik kijk naar de kleuren op het papier en naar het meisje dat tegenover me zit. Het meisje dat haar naam al kreeg toen ze nog in mijn buik zat.

Onze lieve Noor.