Ik kijk naar de regenboogzusjes en -broertje van Juliëtte en zie hoe zij groter worden. Ze vieren hun verjaardagen, zetten nieuwe stappen en ontwikkelen zich ieder op hun eigen manier. Ik zie hoe hun gezichten veranderen, hoe hun wereld steeds een beetje groter wordt en hoe ze langzaam uitgroeien tot de mensen die ze zullen zijn. Daar ben ik intens dankbaar voor.

Ik koester hun verjaardagen, hun verhalen, hun eigenaardigheden en zelfs de dagelijkse drukte die bij een gezin hoort. Ik weet hoe bijzonder het is dat zij er zijn. Misschien weet ik dat zelfs iets te goed, want sinds Juliëtte overleed, is niets in het leven nog vanzelfsprekend.

Tegelijkertijd is het soms moeilijk om hen groter te zien worden. Iedere leeftijd die zij bereiken, is een leeftijd die Juliëtte nooit heeft mogen meemaken. Bij iedere verjaardag groeit niet alleen een kind, maar wordt ook de afstand tot haar groter. Zij bleef zeventien dagen oud. Voor altijd mijn kleine meisje. Haar broertje en zusjes gaan verder. Ze leren lopen, praten, lezen, fietsen. Ze krijgen dromen, vriendjes, voorkeuren en een steeds duidelijker eigen karakter. En ik mag daarvan genieten. 

Toch loopt ergens ook altijd de gedachte mee aan alles wat ik bij haar nooit zal zien. Die twee gevoelens bestaan naast elkaar. De vreugde om wie zij zijn en het verdriet om wie zij had kunnen worden. 

Sinds het overlijden van Juliëtte merk ik bovendien dat mijn belastbaarheid kleiner is geworden. Alsof er na haar dood minder ruimte in mij overbleef om alles te dragen. Geluid, drukte, zorgen, afspraken en de voortdurende verantwoordelijkheid voor een gezin kunnen mij sneller te veel worden dan vroeger. Soms voel ik mij daar schuldig over. Juist omdat ik zo dankbaar ben voor mijn kinderen, vind ik dat ik alles aan zou moeten kunnen.

Maar dankbaar zijn betekent niet dat iets nooit zwaar mag zijn.

Rouw heeft iets blijvends veranderd. Het heeft mij bewuster gemaakt van de schoonheid van gewone dagen, maar ook gevoeliger voor alles wat het leven van mij vraagt. Naast alle liefde en dankbaarheid draag ik een wond met mij mee die nooit helemaal verdwijnt. Dat vraagt soms om rust. Om even terugtrekken. Om erkennen dat het vandaag genoeg is geweest.

Mijn kinderen groter zien worden, laat mij voortdurend voelen hoe dicht liefde en verdriet bij elkaar liggen. Ik kan intens gelukkig zijn en Juliëtte tegelijkertijd verschrikkelijk missen. Ik kan trots zijn op een nieuwe mijlpaal en toch even moeten slikken. Het één maakt het ander niet minder waar.

Misschien is dat wat ik in al die jaren heb geleerd: we hoeven onze gevoelens niet tegen elkaar af te wegen. Dankbaarheid hoeft verdriet niet weg te drukken. Liefde vraagt niet dat we altijd sterk zijn. Juist door zachter te zijn voor mijzelf, houd ik ruimte over om werkelijk aanwezig te zijn. Voor de kinderen die ik zie opgroeien én voor het kleine meisje dat altijd met ons meegroeit, niet in jaren of lengte, maar in liefde.

Want waar liefde blijft, blijft ook haar plek bestaan.